conservering
onderzoek & diagnose
kwetsbaarheden in glas
spanning
breuk
atmosferische degradatie
solarisatie
materiaal technisch onderzoek
formulieren
advies & behandeling

conservering

onderzoek & diagnose

kwetsbaarheden in glas

Door de manier waarop de glasingrediënten gesmolten, vervolgens gevormd en afgekoeld worden, ontstaat het bijzondere materiaal glas. Het vormt een hard materiaal dat een prachtige klank kan voortbrengen, soms transparant en glanzend is, maar ook opaak en mat kan zijn. Het gevormde glas kan op vele manieren verder bewerkt of afgewerkt worden. De bijzondere eigen­schap dat het licht kan geleiden, vloeistoffen en elektri­ci­teit kan tegen­houden en zich leent voor verschil­lende vormen en afwerkingen, maakt het een product dat een grote veelzijdig­heid aan toepassingen kent.

De manier waarop de glasingrediënten gesmolten en vervolgens gevormd en afgekoeld worden, is ook van invloed op de kwetsbaarheid van het eindproduct glas. Eventuele koude bewerkingstechnieken kunnen het glas kwetsbaarder maken. (zie ook maakproces).

Ieder object van glas heeft zijn eigen kwetsbaarheden, die het gevolg zijn van zijn maakprocessen en zijn specifieke bewaar- en gebruiksgeschiedenis. De stabiliteit van glas is gerelateerd aan zaken zoals de samenstelling, dikte, oppervlakte-morfologie, interne of ingebrachte spanning en inhomo­geni­teiten (inclusies) in het glas. Maar ook omgevingsfactoren in het leven van het object (vochtigheid, temperatuur, druk, tijdsduur, aanwezig­heid en concen­tratie van lucht­vervuiling / vluchtige stoffen) spelen een rol. Veel onderzoek wordt hiernaar verricht, zeker in de hedendaagse glastech­nologie, maar de geschiedenis en eigenschappen van individuele historische glasobjecten zijn dusdanig complex dat het in kaart brengen van kwetsbaarheden en degradatie­processen bijzonder uitdagend is. In sommige gevallen wordt getracht fysieke eigenschappen in kaart te brengen en degradatieprocessen te simuleren in replica glas. In algemene zin kan hier veel kennis uit worden verkregen. Er blijft altijd een discrepantie met de werkelijkheid van individuele historische objecten, omdat de bewaargeschiedenis moeilijk te simuleren is. Enkele veel voorkomende algemene kwetsbaarheden van glas worden op dit platform genoemd, maar voor voorbeelden van object­gerelateerde problematiek verwijzen we naar de objecten.

Dunwandigheid, interne spanningen, lucht­bellen, slieren of inclusies als gevolg van het maakproces kunnen een glas kwetsbaar maken. Dit betekent dat een glas­object bij stoten of plotselinge grote temperatuur­schommelingen makkelijker kan barsten of breken.

Het is iedereen bekend dat glas gevoelig is voor krassen, barsten of breken. In ieder glas zit spanning die bij impact kan ontsnappen, met barsten of breuken tot gevolg. Maar ook de aanwezigheid van lucht­bellen, onzuiverheden of niet versmolten materialen in het glas kunnen de gevoeligheid voor breuk vergroten. Een belangrijk onderdeel van het glasmaak­proces is de afkoeling. Als dat niet zorgvuldig gebeurt, kan dat ook voor extra spanning in het glas zorgen (zie ook Het bestuderen van spanning in glas) De gevoeligheid voor krassen kan te maken hebben met de samen­stelling van het glas. Zo is loodglas ‘zachter’ dan borosilicaat­glas, en dus gevoeliger voor krassen.

Glas kan dunwandig zijn of kwetsbare uitstekende delen hebben, maar ook juist heel dik en zwaar zijn. Glas kan heel glad en glanzend zijn, maar ook heel ruw en mat. Al deze aspecten brengen ieder hun eigen kwetsbaar­heid met zich mee.
De belangrijkste en wellicht meest opvallende kwets­baarheid van ieder glas is de gevoeligheid voor vocht. Elk glasobject neemt in zijn leven water op in zijn oppervlakte­laag. Afhankelijk van het type glas, de fysio-chemische structuur van de oppervlakte­laag en de zuurgraad van de oplossing waarmee het in contact komt kunnen er fysio-chemische degradatie­processen plaatsvinden. Chemisch instabiel glas kan dof worden, er kunnen zich druppels of kristallen op het glasoppervlak vormen, er kunnen micro-barsten ontstaan of het glas kan structureel desintegreren. (zie atmosferische degradatie).

Bij glas uit archeologische context spelen bodem­omstandig­heden een grote rol in het degradatie­proces. Een bekende vorm van degradatie is het iriserende effect. Als gevolg van delaminatie van het glasoppervlak wordt de lich­tbreking dusdanig beïnvloedt dat een regenboog aan kleuren op het oppervlak ontstaat. Op Romeins glas wordt dit effect soms dusdanig gewaardeerd, dat er voorbeelden bekend zijn waarbij in latere tijd iriserende glaslaagjes met lijm op een object zijn aangebracht. (zie masterscriptie Investigating Tampering in a Roman Glass Pastiche through LA-ICP-MS elemental profile comparison).

Glas is tevens gevoelig voor stof en verontreini­gingen uit de lucht of omgeving, afkomstig van gebruik, bewaren of hanteren. Ook UV-licht kan in bepaalde omstandigheden op diverse manieren voor verkleuring van het glas zorgen; het glas kan gelig of rozig verkleuren. (zie ook solarisatie)



Luchtbellen en kleine inclusies (niet versinterde materialen) in glas.   FOTO M. Slager



Slieren in glas (waar minder goede vermenging van ingrediënten lijnen in het glas veroorzaakt).   FOTO BOVEN  M. Slager


V63a1, collectie Museum Boijmans Van Beuningen object gebroken in vele scherven.   FOTO M. Slager


Ingrediënten zijn niet helemaal versmolten tijdens vervaardiging.   FOTO M. Slager


Glas uit archeologische context met iriserend oppervlak als gevolg van degradatie

Luchtbellen in glas   FOTO M. Slager



Luchtbellen in glas in beton raam   FOTO M. Slager



Breuk bij kwetsbare delen van een object   FOTO M. Slager


Oppervlakte van het glas is aangetast door gebruik   FOTO M. Slager


Luchtbellen groot en klein in drinkglas   FOTO M. Slager


Glas met vele inclusies en luchtbellen en diverse barsten   FOTO M. Slager


Niet homogeen glasmengsel   FOTO M. Slager



Glas (stam van een drinkglas) heeft een roze kleur gekregen als gevolg van solarisatie   FOTO M. Slager



bronnen
Yong, A., Investigating Tampering in a Roman Glass Pastiche through LA-ICP-MS elemental profile comparison, University of Amsterdam, June 2025